home Header Image
home Header Image
Naamloos document

Kruipend de berg op

29 april 2012

We sukkelen met een vaartje van 25 a 30 kilometer per uur de berg op, op weg naar de Paso de Jama op de grens van Noord Argentinië en Chili. Niet alleen wij hebben op deze hoogte, zo tegen de 3000 meter, last van zuurstoftekort, ook onze trouwe vierwieler Ndugu heeft daar last van. Ndugu ratelt en pruttelt als een koffiezetapperaat en spuugt dikke pluimen zwarte rook uit. "Je moet geen haast hebben, maar zo komen we er ook", zeg Harald. "Ja hoor, deze pas is maar 3200 meter hoog, dus dat moeten we makkelijk halen. Die pas van 4400 meter hebben we immers ook gehaald", zeg ik. De asfalt weg slalomt in grote lussen de berg op en als we dichter bij de pas komen gaat het over in scherpe haarspeldbochten en zakt onze snelheid nog wat verder naar beneden. HLandschap bij Paso de Jamaet landschap wordt steeds kaler en we laten de begroeide rivierdalen die we eerst nog diep onder ons zagen, achter ons. Vlak onder de pas staat het douanekantoor van Argentinië. We laten ons paspoort stempelen, leveren het Temporary Import formulier van de auto in en binnen 10 minuten rijden we verder. Zonder problemen halen we de pas en we gaan met een flink vaartje weer naar beneden. Even later rijden we over een hoogvlakte op 2900 meter. Het landschap is hier ruig en bar. Aan weerszijden van de weg zwarte kiezelvlakten of rode zandvlakten waar zo goed als niets groeit, die kilometers verderop overgaan in kale met sneeuw bedekte bergen. Af en toe zien we een groot opgedroogd zoutmeer. En we zien weer eens een stel fietsers, die zich door dit barre landschap niet laten afschrikken.

Landschap bij Paso de Jama 3Niet veel later begint de weg weer te stijgen. "Oh ja, dat is ook zo. Het staat niet op de kaart, maar volgens de Duitsers die we gisteren spraken, gaan we nog een pas tegen komen van 4700 meter ofzo", herinner ik Harald. Al gauw zakt de snelheid weer naar de 30 kilometer per uur. "Een turbo was nu toch wel handig geweest", merkt Harald op. De klim lijkt oneindig en wordt steeds steiler. Onze snelheid zakt steeds verder in en Ndugu begint steeds harder te ratelen. De auto stottert en schokt af en toe omdat de motor begint over te slaan en de zwarte rookpluimen walmen langs de auto. "We stinken flink", merk ik op. "Dit is niet goed voor de motor", zegt Harald en kijkt een beetje bezorgd. We passeren de 4700 meter, maar de weg blijft stijgen en wordt nog steiler. Ndugu schokt, ratelt en behalve zwarte rook spuugt hij nu af en toe ook witte rook en onze snelheid zakt naar 15 kilometer per uur. Haralds gezicht staat nu strak van de bezorgdheid. "Echt niet goed voor de motor en ik begin behoorlijk koppijn te krijgen van de hoogte", moppert hij. "Hoe lang gaat dit nog zo door? Ik heb geen zin om de motor in de soep te rijden." We kruipen tegen de berg op en een paar bochten boven ons zien we een enorme vrachtwagen, omhuld door zwarte rook. "Die heeft ook moeite om boven te komen", zeg ik. "Hij gaat nog langzamer dan wij." En inderdaad naderen we de vrachtwagen langzaam maar zeker. Even later halen we hem in met 15 kilometer per uur. Nog steeds is het hoogste punt niLandschap bij Paso de Jama 2et in zicht en de weg lijkt nog steiler te worden. Harald begint te vloeken als Ndugu continu begint te stotteren en schudden, het ratelende geluid harder en scherper wordt en onze snelheid inzakt naar 12 kilometer per uur. We worden ingehaald door de vrachtwagen en ook ik maak me nu echt zorgen. "We gaan het toch wel halen?" vraag ik aan Harald. "Als dit lang zo door gaat draai ik om", antwoordt Harald. "Een kapotte motor is geen geintje, dat wil je echt niet hebben!" Ndugu kruipt rochelend verder de berg op, met 10, 9, 8 kilometer per uur. "Kom op Ndugu, je kan het, laat ons niet in de steek!", roep ik uit. "Zou dat de pas zijn?" zeg ik even later en wijs naar een zadel dat nu vlak boven ons op doemt. "Ik hoop het maar", bromt Harald. "Ik denk het wel, kom op Ndugu nog een klein stukje!" Even later hebben we inderdaad het hoogste punt bereikt op 4835 meter en halen we opgelucht adem. We stoppen even en zien de weg eerst wat dalen, dan een heel stuk over een hoogvlakte gaan en dan verdwijnen tussen een paar bergen. "Verder maar weer."

Landschap voorbij Paso de JamaWe stappen in en kunnen eindelijk weer wat snelheid maken. De motor van Ndugu hapert af en toe nog steeds, maar hij stottert, schudt en rookt een stuk minder erg, gelukkig. Het landschap is nog steeds dor en ruig. Harald vindt het maar niets, maar ik hou wel van dit soort lege landschappen en vind het hier mooi. De rotsen hebben verschillende kleuren: bruin, rood en geel. Ook hier zien we nauwelijks begroeiing, maar toch lopen er groepjes Vicuna's rond. Hier en daar zien we nog wat restjes sneeuw liggen en voor ons doemt een flink aantal imponerend grote, met sneeuw bedekte vulkaankegels op. We rijden een tijdje over de hoogvlakte en opeens begint de weg weer te stijgen. "Nee he, niet nog een keer", kreunt Harald. Weer moeten we een zadel over, maar dit keer stijgen we minder steil en minder hoog en zakt de snelheid nieVulkaankegelst onder de 20 kilometer per uur. "Hebben we het nu dan eindelijk gehad?" vraagt Harald als we het zadel over rijden. "Ik wil nu g*****domme wel eens naar beneden." Aan die wens wordt tegemoet gekomen, want de weg stort zich nu steil naar beneden. Nu moet Harald oppassen dat Ndugu niet te hard gaat. In grote lussen dalen we steil af, waarbij op de motor remmen vaak niet genoeg is en Harald met de rem moet bijremmen. "Je remmen zullen het hier maar begeven, dan zit je toch dik in de problemen", merkt Harald op. Een understatement, zo bewijzen ook de vele grindbakken waar vrachtwagens in geval van weigerachtige remmen in kunnen rijden om te kunnen stoppen. En zo te zien zijn die wel eens gebruikt.

De weg blijft nu eindeloos dalen en pas aan het eind van de middag komen we in San Pedro de Atacama aan, waar we de douaneformaliteiten gelukkig ook in een kwartiertje rond hebben. Gaar en moe rijden we het stoffige, behoorlijk toeristische dorp in op zoek naar accomodatie. We besluiten niet eenzaam in een armoedige verdorde boomgaard te kamperen maar op de binnenplaats van een leuk en schoon uitziend hostel. "Even lekker onder de mensen de komende dagen." Ondanks dat het de duurste kampeerplek tot nu toe is, slapen we hier vier nachten want de omgeving is werkelijk prachtig. We bezoeken de bergmeren Miscanti en Miniques, de met flamingo's gevulde (zout)meren in de Salar de Atacama en de Valle de Arcoiris en gaan een avondje sterrenkijken in de Salar door een tiental telescopen. En we hebben veel aanspraak en gezelligheid, wat ons echt even goed doet en ons uit onze eenzaamheidsdip haalt. Je kan het ook gewoon opzoeken natuurlijk, gezelligheid.

Lago Miscanti

 

30 april 2012

Nachtelijke rit

Valle de LunaNa de hele ochtend in de Valle de Luna te hebben rondgekeken, een vallei met een bizar landschap dat inderdaad wel wat weg lijkt te hebben van de maan, besluiten we richting de Tatio geisers te rijden. Die liggen op een paar uur rijden van San Pedro, op 4300 meter hoogte, en zijn het beste 's ochtends vroeg te bekijken omdat de geisers later op de dag minder hoog spuiten. Daarom willen we proberen zo dicht mogelijk bij de geisers te gaan slapen, zodat we niet - net als alle toertjes - om 4 uur 's ochtends al uit San Pedro hoeven te vertrekken. Je kan bij de ingang van de geisers kamperen, maar Harald wil dat niet vanwege de hoogte. "Dan krijg ik weer gigantische hoofdpijn en kan ik niet slapen van de hartkloppingen. Geen goed plan", zegt hij. "Volgens de deskundigen is het 't beste om niet meer dan 500 meter per dag te stijgen, daaraan kan je lichaam zich nog aanpassen. En aangezien San Pedro op ruim 2500 meter ligt, wil ik liever niet hoger dan 3000 meter slapen." Dus we besluiten om onderweg rond de 3000 meter te stoppen en daar een slaapplek te zoeken. Niet ver buiten San Pedro begint de weg al flink te stijgen en na een half uurtje rijden komen we in een breed rivierdal, waar de weg zich splitst en zitten we al op 3000 meter hoogte. "Laten we nog even door rijden. Misschien daalt de weg verderop wel weer", opper ik. "En zo niet, dan rijden we terug en hebben we de weg in elk geval al een stuk verkend. Da's wel zo prettig als we hem morgen in het donker moeten rijden." Een bord geeft de Tatio geisers recht door aan. "Volgens mijn kaart gaat de weg links ook naar de geisers en is die korter", zeg ik. "Maar laten we het bord maar aanhouden." We rijden dus rechtdoor over een smalle, onverharde weg, die meteen weer flink stijgt en ons bovenlangs een mooie, groene kloof voert waarin een rivier stroomt. We slingeren langzaam omhoog, Ndugu heeft weer last van zuurstofgebrek en begint weer zwarte rook te spuwen. Het landschap verandert weer in stenige hellingen met weinig begroeiing waar hoge wit-afgetopte bergen en Vizcachavulkaankegels boven uit steken. We stijgen naar 3500, 3600, 3700, 3800 meter. "He, ik zag daar een klein beest wegschieten tussen de rotsen", zeg ik. "Stop eens even, kijk daar op die rots", wijs ik. Op de bruin-rode rots zit een bruin-rood beest. Hij zit doodstil en valt bijna niet op in het landschap. Hij ziet er uit als een haas, maar is net iets groter dan een haas en heeft een vrij lange, harige krulstaart. "Dat moet een Vizcacha zijn", concludeer ik. We rijden verder en stijgen door naar ruim 4000 meter. Dan wordt de weg eindelijk vlakker. Voor ons slingert de weg zich over de hoogvlakte. "Misschien dat de weg verderop weer daalt. Laten we nog een klein stukje verder rijden", zeg ik. "Prima, maar niet te lang want over ruim een uur wordt het donker", antwoordt Harald. Even later zien we nog wat kleine plekken sneeuw liggen langs de weg en is de weg behoorlijk nat. We rijden er doorheen en het levert geen problemen op voor Ndugu. "We rijden nog tot aan die bocht en als de weg daar niet flink daalt, draaien we om", zegt Harald. Als we de bocht hebben bereikt zien we dat de weg niet daalt, maar dat vlak na de bocht wel een stukje weg onder water staat. Vrij diepe bandensporen voeren erheen en er weer uit. "Oei! Als we daar morgen maar niet in blijven steken", verzucht ik. "Dat zal wel meevallen", zegt Harald. "Vannacht bevriest het allemaal en wordt het een stuk steviger. Met een flink vaartje komen we daar echt wel doorheen." We zetten het punt in onze GPS zodat we morgen in het donker weten waar het is, keren om en rijden terug.

We rijden - nu met een flink vaartje, want we dalen - terug maar het rivierdal. Net als op de heenweg komen we geen enkele auto tegen. De schemer is al flink ingezet als we in het rivierdal aankomen. "We zullen dus toch vroeg op moeten, want het is nog wel 1,5 a 2 uur rijden naar de geisers volgens mij", zeg ik. We kamperen de auto open en bloot op een vlak stuk terrein, vlak naast de weg. "Dan kunnen we morgenochtend goed zien welke weg de toertjes nemen", zegt Harald. "Rijden we gewoon achter hen aan." We koken en eten in de auto en er komen zowaar nog een paar auto's langs. We verbazen ons er steeds weer over dat er op dit soort slechte, onverharde wegen ook in het donker auto's rijden. We kruipen vroeg ons bed in en zetten de wekker op half 5, omdat we verwachten dat rond kwart voor 5 de eerste toerauto's voorbij zullen komen. Ik kom moeilijk in slaap en slaap onrustig. Telkens als ik wakker word lig ik te luisteren of ik geen vreemde geluiden hoor. We staan hier immers behoorlijk zichtbaar in het licht van de volle maan...... Ik ben al wakker voor de wekker gaat en zodra die afgaat geef ik Har een por, doe het licht aan en kruip uit bed. "Brrrr dat is koud!" zeg ik. Ik kijk op de thermometer die -5 graden aangeeft. Op dat moment horen we een auto naderen. "Toertje?" vraag ik. Harald ritst het tentdoek van onze slaaptent open en kijkt naar de auto die langzaam voorbij rijdt. "Ik denk het niet, het is een gewone auto, geen busje", zegt Harald. De auto blijft even stil staan bij de splitsing. "Die twijfelt welke weg te nemen, denk ik", merkt Harald op. Dan rijdt de auto recht door. Snel trek ik een flinke laag kleding aan. Mijn pyamabroek hou ik aan en trek daar overheen mijn dikke, warme broek aan. Een thermoshirt, flanellen bloes, thermovest, dun fleecevest, dik fleecevest trek ik over elkaar aan. "Zo, ik zal het niet koud krijgen straks, op 4300 meter hoogte." Ondertussen komt er weer een auto voorbij. Harald twijfelt of het een toertje is. Het is wel een busje, maar nogal klein en ik zie geen tekst of iets dergelijks op de zijkant staan. De auto rijdt met een flink vaartje rechtdoor. "Twee auto's die rechtdoor gaan. Die gaan vast ook naar de geisers. Welke gek gaat er anders op dit tijdstip op weg?" zegt Harald terwijl hij zich aankleedt. "Ik denk dat we dus de weg rechtdoor moeten hebben." Dan horen we weer een auto aankomen en als ik naar buiten kijk zie ik drie auto's naderen. "Duidelijk een toerauto", zeg ik. "Een busje met tekst op de buitenkant. En hij slaat linksaf." De volgende twee auto's zijn ook herkenbaar als toerauto's en slaan ook linksaf. "Oké, dan gaan we ook linksaf", concludeer ik terwijl we voorin de auto stappen. Als nog een busje nadert start Harald de motor. Ook dit busje slaat linksaf en snel rijden we er achter aan. Zijn we niet compleet gestoord om in het pikkedonker over een onverharde weg in noord Chili te rijden, zonder echt te weten waar we heen moeten? Welke gek doet dit?! Hmm, wij dus. We hebben zowel de koplampen als de verstralers aan gedaan om zoveel mogelijk zicht op de weg te hebben. Deze onverharde weg stijgt minder steil, is veel breder dan de andere weg en is in prima staat. We kunnen de toerauto's redelijk bijhouden, al lopen ze wel iets op ons uit. Wij rijden een auto met dieselmotor, die is veel gevoeliger voor een tekort aan zuurstof en daarbij hebben de meeste auto's hier een turbo. Wij niet, dus we volgen gewoon wat langzamer. Ver achter ons zien we ook een aantal koplampen. Nog meer toerauto's, dit moet de beste en makkelijkste weg zijn naar de geisers. We negeren enkele afslagen, waar duidelijk kleinere wegen zich afsplitsen en volgen de goede, brede weg. Voor ons en achter ons blijven we de lichten van andere auto's zien, dus gaan we goed. De lichtjes van de auto's voor ons worden wel steeds kleiner en de koplampen achter ons komen steeds dichterbij. Even later worden we ingehaald door vier busjes, allemaal toerauto's. Weer wat later komen we bij een bord met 'Desvio' erop. Een omleiding, de weg is hier opgebroken zien we. Nu wordt de weg waarover we rijden een stuk smaller en slechter, met gaten en hobbels. Voorzichtig rijden we verder en proberen de gaten en hobbels zo goed mogelijk te vermijden. De achterlichten voor ons verdwijnen langzaam uit beeld. Door de vele bochten is het lastiger de weg te overzien en we hopen dat we nog steeds op de juiste track zitten. We steken twee keer een klein riviertje over door een klein laagje water waarvan het bevroren oppervlak flink kapot gereden is. "We zitten al op 4000 meter", merkt Harald op. Langs de kant ligt wat sneeuw. Even later draaien we, vrij onverwachts, weer de brede weg op. "Gelukkig, we zitten goed", zeg ik. Maar dan zien we een splitsing voor ons opdoemen in het licht van de koplampen. Nu twijfelen we welke kant we op moeten. Gelukkig zien we iets verderop een toerbusje stil staan. We parkeren onze auto er naast en wenken naar de bijrijder of hij zijn raampje omlaag kan draaien. Dat doet hij en we vragen welke weg naar de Tatio geisers leidt. In rap Spaans begint de man tegen ons te praten. Naar rechts, maken we er uit op, maar wat betekent 'no possible perderser?!' "Het zal toch niet zoiets betekenen als 'niet mogelijk om door te rijden', hoop ik", zeg ik terwijl ik in ons woordenboekje blader. "P - Perderser, ha daar staat het. Verdwalen. Perderser betekent verdwalen. Onmogelijk om te verdwalen, zei die goede man dus. Oké, heel fijn!" Opgelucht rijden we verder en worden even later weer ingehaald door het busje. De weg blijft breed en goed, op een klein stukje omleiding na, waar ze weer aan de weg aan het werk zijn. Een half uur later, het begint net een beetje licht te worden, bereiken we de ingang van de geisers. We rijden achter een paar toerbusjes aan naar de geisers, je mag tot vlakbij de geisers rijden, en parkeren de auto. Ik trek mijn winterjas aan over al mijn andere kleren, doe een sjaal om en handschoenen aan en zet mijn muts op. "Ik ben er klaar voor", zeg ik en stap de kou in. Harald doet stoer en doet geen muts en handschoenen aan, maar na een half Tatio geisersuurtje loopt hij toch terug naar de auto om ze aan te doen. De geisers zijn indrukwekkend. Overal waar we kijken spuiten stoompluimen de lucht in. We lopen tussen de geisers door en zien soms alleen water borrelen en sputteren in een gat in de grond, terwijl andere geisers hoge stoompluimen de lucht in blazen vanuit een bolvormige ophoging. Heel bijzonder om te zien. Even verderop zien we een thermisch bad, deels aangelegd. Heet, dampend water stroom het bad in en een aantal mensen is zo moedig geweest om de kleren uit te trekken en erin te duiken. Onder luid gejoel van anderen, natuurlijk. Mij niet gezien, het is mij veel te koud om kleren uit te trekken! Terwijl de zon langzaam over de bergtoppen rondom de geisers heen klimt en het bijzondere landschap om ons heen en de stoompluimen in een gouden gloed zet, lopen we verder, tussen nog meer geisers door. De zon is lekker warm en muts en handschoenen gaan uit. De toerauto's gaan er een voor een vandoor en niet veel later besluiten we te gaan ontbijten. We rijden naar de parkeerplaats, waar we ook van het toilet gebruik maken, en ontbijten met uitzicht op de geisers. "Dat was het vroege opstaan en de nachtelijke rit best waard", concludeert Harald.

 

3 mei 2012

Door de woestijn naar Bolivia

Over de stad Calama schrijft de Lonely Planet: 'How do we put this delicately....Calama is a shithole.' Niet echt een stad waar een toerist iets te zoeken heeft dus, maar wij hebben hier toch een groot deel van de dag rondgehangen. We hebben boodschappen gedaan bij een belachelijk grote supermarkt, om onze voedselvoorraden (vooral zakjes saus, pasta, pizzabodems en dergelijke) aan te vullen, want we weten niet of we in Bolivia dat soort dingen makkelijk gaan vinden. We zijn naar een garage geweest om de olie te laten verversen en bij de Toyotagarage om te kijken of ze de juiste filters hadden (niet dus). In Bolivia komen we de eerste dag waarschijnlijk geen plaats tegen waar we geld kunnen trekken of tanken, dus wisselen we bij een wisselkantoor dollars om in Bolivianos en gooien we de tank vol bij Shell. Als dat alles gedaan is, gaat de zon al bijna onder en vinden we het te laat om - zoals we van plan waren - al een stuk richting de grens te rijden en onderweg een wildkampeerplek te zoeken. Aangezien Calama niet bekend staat als de meest veilige stad besluiten we de gemeente camping maar op te zoeken en daar te overnachten. Dankzij de GPS hebben we die snel gevonden en ja hoor.... het is weer zo'n camping waar ik beetje depri Gemeente camping in Calamavan word. Een langwerpige zandbak met een paar picknicksets, een vervallen gebouwtje met toiletten en douches (alleen met koud water), gelegen tussen de voetbalvelden (waar nog wordt gevoetbald, maar vooral ook wordt gedronken en gefeest in de kantine meteen naast het kampeerveldje). "Wat een shabby camping weer. En wat een herrie!" zeg ik. "Ik hoop dat ze daar niet tot diep in de nacht mee doorgaan." "Maar ik zie ook positieve punten aan deze camping", zegt Harald. "Er staan een paar bomen, de toiletten zijn schoon en we hebben struisvogels als buren, da's toch wel bijzonder." Op een klein omheind veldje naast het kampeerveldje lopen inderdaad twee struisvogels rond. "Da's weer eens wat anders dan kippen, hanen en honden." We besluiten uit eten te gaan, want we hebben gezien dat het in Calama barst van de Chinese restaurants en Harald roept al tijden dat hij wel weer eens een lekkere Chinese hap zou willen hebben. We rijden dus naar een groot, te fel verlicht, kitscherig ingericht (zoals het hoort) Chinees restaurant, waar zowaar nog enkele andere klanten zitten. De menukaart is alleen in het Spaans en de Chinese gerechten zijn daardoor onherkenbaar. Als we in het Chinees de namen van een paar gerechten noemen die we graag zouden hebben, hebben de Chileense obers geen idee wat we bedoelen. Dus proberen we met een paar woorden Spaans en Engels (een van de obers spreekt zowaar wat Engels!) duidelijk te maken wat we willen hebben. We hebben er weinig vertrouwen in dat we krijgen wat we willen. Niet veel later worden er drie gerechten opgediend, enorme porties zoals het hoort bij een Chinees, terwijl wij in de veronderstelling waren twee gerechten besteld te hebben. Het ziet er goed uit. "Mjammie, dit is lekker", roep ik blij verrast uit terwijl ik een van de gerechten proef. Ook de andere gerechten zijn erg lekker. Uiteraard krijgen we het allemaal bij lange na niet op en de restanten krijgen we mee. Daar kunnen we nog zeker een dag van eten, misschien wel twee. Met volle buiken en een tevreden gevoel rijden we terug naar de camping, waar het feest inmiddels is afgelopen en het heerlijk rustig is. We slapen heerlijk en staan de volgende ochtend vroeg op. "Calama was zo gek nog niet. Maar nu op naar Bolivia."

Na de moeizame rit over de Paso de Jama waar zowel Ndugu als Harald het nogal zwaar hadden met de hoogte, hebben we besloten om niet via de pas van 5000 meter hoogte vlakbij San Pedro het zogenaamde merengebied van Bolivia in te gaan, maar via de noordelijker gelegen grensovergang op ruim 4000 meter bij de vulkaan Ollague. "We kunnen vannacht slapen in het Boliviaanse bergdorp San Cristobal op ongeveer 3800 meter en daarna rijden we door naar Uyuni op 3600 meter hoogte. Daar kunnen we dan een dag of twee acclimatiseren en dan gaan we daarna pas de bergen in en zien we wel hoe ver en hoe hoog we willen gaan", stel ik voor nadat ik de kaarten heb bestudeerd. "Prima plan", zegt HaraldAtacama woestijn.

De eerste uren rijden we door de Atacamawoestijn, die bekend staat als de droogste woestijn ter wereld. Dit is geen zandwoestijn, maar eindeloze vlaktes van grove, donkergrijze kiezels. In de verte, bij de grens met Bolivia, geflankeerd door hoge bergen en vulkanen met witte toppen, waar we langzaam maar zeker steeds dichterbij komen. Langzamerhand wordt het landschap ook minder saai. Wij passeren een kloof van rode rotsen en de grijze kiezels maken plaats voor rood-bruin zand. De enorme bergen waar we nu vlak langs rijden bestaan uit gesteente met verschillende kleuren: donkerrood, oranje, geel, grijs en groen. Ook zien we nu enige begroeiing: gele graspollen maar ook fel groene spruiten die een lichtgroen waas over de hellingen toveren. We rijden door een dorpje. "Hier woon je dus echt in the middle of nowhere!" roep ik verbaasd uit. Er staat een mooie, nagelnieuwe kerk in het dorp dat verder bestaat uit kleine, lage stenen huisjes. Nadat we het dorp gepasseerd zijn, komen we bij een groot zoutmeer. Er staat nauwelijks nog water in het meer. Bijna het gehele meer is bedekt door een wit laagje opgedroogd zout, dat gewonnen wordt. Vandaar het dorp hier vlakbij. We rijden om het meer heen en zien dat aan de andere kant toch wat water staat, met daarin prachtige, roze flamingo's. Ik stap uit om foto's te maken en de flamingo's die het dichtst bij me in het water staan, stappen langzaam en statig - ze lijken bijna hooghartig - bij me vandaan.

de rokende vulkaan OlagueWe rijden verder en krijgen nu de hoge, besneeuwde kegel van de vulkaan Ollague in beeld. "Kijk, er komt rook uit de top van de vulkaan. Dat had ik al gelezen, dit is een nog actieve vulkaan. Om ons heen zien we nu ook een aantal veel lagere, uitgwerkte, zwarte vulkaankegels met gestolde, lavastromen eromheen, bestaande uit zwart, poreus gesteente. Verderop rijden we opeens tussen witte duintjes door. "Wat een bizar landschap!" zeg ik verbaasd en stap nog maar weer eens uit om foto's te nemen.

Niet veel later rijden we het grensdorp Ollague binnen. Aan het eind van het dorp staan een paar verwaarloosde gebouwtjes waar de douaneambtenaren te vinden zijn. We moeten even wachten tot ze klaar zijn met het doorzoeken van de tassen van een groep Bolivianen. Een oude vrouw met twee lange grijze vlechten en een vaal, maar koket plooirokje tot op de knieën en een schort eroverheen sjouwt net een enorme boodschapppentas het kantoortje uit richting een kleine, gammele bus. Een jonge vrouw zonder vlechten en in trainingspak schiet haar te hulp. Vlak bij de kantoortjes staat een lange goederentrein, die niet veel later weg rijdt, Chili in. Dan zijn wij aan de beurt en binnen 5 minuten hebben we de benodigde stempels en het importdocument van de auto ingeleverd en kunnen we verder rijden naar de Boliviaanse grenskantoortjes een paar kilometer Grensdorp in Boliviaverderop. Ook deze kantoortjes liggen aan de rand van een gehucht. "Je zou hier maar wonen!" Het is even zoeken naar de juiste kantoortjes, die verspreid liggen aan de rand van het dorp. Voor paspoortstempels en het importdocument moeten we in twee kantoortjes zijn die achter de spoorrails liggen. Ook hier staat een lange goederentrein, die ons de weg blokkeert. Harald klimt op een trappetje, loopt door het portaal en klimt er aan de andere kant er weer af. Als ik dat ook wil doen komt de trein heel langzaam in beweging. "Snel, klim er overheen, hij gaat toch maar heel langzaam", roept Harald me toe. Twee tellen later sta ik veilig aan de andere kant. We lopen een kantoortje binnen, maar dat blijkt niet het goede en worden verwezen naar het kantoortje daarnaast. We zijn de enige klanten en de douanebeambte bekijkt onze paspoorten uitgebreid, vraagt hoe lang we in Bolvia blijven en zet dan met trage maar zorgvuldige bewegingen de benodigde stempels in ons paspoort. Voor de auto moeten we bij een collega in een ander kantoortje zijn. "Natuurlijk hebben ze hier voor elke handeling een andere beambte in een eigen kantoor!", zeg ik. "Ze zouden het anders veel te druk krijgen." Harald gaat het andere kantoortje binnen, vult een formulier in met daarop de gegevens van de auto. Vervolgens vraagt de beambte ongeveer alles wat Harald net op het fomulier heeft ingvuld en zet alle info op zijn dooie gemak in de computer. Hehe, dat is ook gebeurd. We worden terug gestuurd naar het eerste kantoortje, waar een ander beambte controleert of we inderdaad de juiste stempels in ons paspoort hebben staan en of het inportdocument voor de auto klopt. Hij concludeert dat het allemaal in orde is en zegt dat we door mogen rijden. Hij loopt weg en daarom doen we zelf maar de slagboom open en rijden Bolivia in. We rijden een brede, zanderige weg op en komen meteen een splitsing tegen. Geen bord of wegwijzer te bekennen en onze wegenkaart van Bolivia en de GPS kaart tonen geen splitsing. "Dat begint goed!' zeg ik. We waren al gewaarschuwd dat de Reise Know How kaart (over het algemeen de beste kaarten die je kan krijgen) niet helemaal klopt. "Nog maar 1 kilometer en 1 minuut in Bolivia en nu al de weg kwijt"." Een oud vrouwtje met lange vlechten, een plooirokje en een schort komt aanlopen en we vragen haar wat de weg naar Uyuni is. Ze wijst naar de breedste weg, dus die slaan we in. "Weer een nieuw land en een nieuw avontuur. Ik heb er zin in", zeg ik terwijl we wegrijden.