home Header Image
home Header Image
Naamloos document

Panne in the middle of nowhere

6 oktober 2011

Central Kalahari NP“Dat klinkt niet goed”, zegt Harald. Kloink, kloink, kloink, klinkt het als we over een hobbel in de track rijden. Twee uur geleden zijn we het Central Kalahari National Park in gereden, zonder onze reisgenoten Patrick en Vanessa, want die waren nog niet klaar met het (laten) klussen aan de auto. Dit is een van de meest geïsoleerde en desolate Nationale Parken in Botswana.

“Even onder de auto kijken hoor”, zegt Harald terwijl hij uitstapt. “Shit, hier was ik al bang voor”, hoor ik hem van half onder de auto roepen. “Is het de vering,?”, vraag ik. “Ja, de een na bovenste van de linker bladveren is gebroken. Ik had ze toch moeten vervangen", zegt hij terwijl hij de auto weer instapt.  “En nu, kunnen we nog doorrijden naar de campsite?”, vraag ik. “Ik ga liever nu meteen terug naar Maun. Maar we moeten heel rustig en langzaam rijden”, zegt Harald. “Oke, het is balen, zeker ook omdat we nog bijna geen dieren gezien hebben, maar het is niet anders. Maar ik denk niet dat we Maun nog halen vandaag. Het is al 5 uur geweest en het is nog zeker vier uur rijden. En nog meer als we langzaam rijden”, zeg ik. “Ik wil zo ver mogelijk zien te komen”.

Harald keert de auto en zet hem langzaam in beweging. We vorderen maar langzaam. We rijden met zo’n 10 tot 15 kilometer per uur en bij elke hobbel protesteert de vering met een kloink geluid. Maar 20 minuten later horen we dat geluid niet meer. “Mmmmm, da’s helemaal geen goed teken, zegt Harald. “Ik ga weer even onder de auto kijken.” Hij stapt weer uit en gaat weer plat op zijn rug onder de auto liggen. “Shit! Nou is het echt goed mis!” klinkt het van onder de auto. “Het bovenste blad is nu ook gebroken. En de as is aan de linkerkant ongeveer vijf centimeter naar achteren geschoven. Blijkbaar wordt die door de bovenste veerbladen op zijn plek gehouden. Hiermee kunnen we echt niet verder rijden, want dan gaat de auto helemaal naar de klote.” “Wat nu? ANWB bellen?”, vraag ik met een wrang lachje. “ik ga een noodreparatie uitvoeren met spanbanden”, is Harald zijn antwoord.

Panne in de Central KalahariHarald pakt de vier spanbanden waarmee de auto in de container was vastgezet vanuit Rotterdam en kruipt net onder de auto als er drie auto’s op de track verschijnen. “Zal ik ze vragen te helpen?”, vraag ik Harald. “Vraag maar of ze een beetje technisch zijn”, zegt hij. “Als ze dat zijn kan ik hun hulp wel gebruiken.” Even later staan er drie Zuid-Afrikaanse mannen druk met Harald te overleggen over de beste manier om het probleem op te lossen. Eerst komt er een airjack (maar dát is een handig ding, dat zouden wij ook moeten hebben!) te voorschijn uit een van de Zuid Afrikaanse auto's waarmee de auto aan de achterzijde wordt opgekrikt zodat de vering en het wiel los komen van de grond. Met behulp van twee spanbanden (treksterkte 4 ton per stuk) tussen de as en een dwarsbalk van het chassis, trekken de mannen de as naar voren. Vervolgens brengen ze een spanband om het totale bladverenpakket aan, zodat die bij elkaar wordt gehouden en nog enigszins kan veren. Terwijl de mannen aan het werk zijn sta ik aan hun vrouwen uit te leggen dat we niet helemaal vanuit Nederland zijn komen rijden, maar 'slechts' vanuit Kaapstad.
noodreparatie aan de veringEen kleine anderhalf uur later en heel wat gekreun, gezwoeg en gediscussieer verder is de noodreparatie uitgevoerd en nemen we in de schemering – de zon is al onder - afscheid van deze behulpzame Zuid-Afrikaners en stappen we de auto in.

“Het is bijna zeven uur, de poort van het park is nog 40 kilometer rijden en sluit om zeven uur”, zeg ik. “En je mag na zeven uur niet meer rijden in het park. Er zijn hier ook een paar campingplekken in de buurt, zullen we daar maar heen gaan?” “Nee, ik rij nu liever door naar de poort”, zegt Harald. “Het kan me niet schelen dat dat niet mag. En dan slapen we wel bij de poort.” De auto kruipt langzaam over de zanderige, hobbelige track. Bij elk gat in de track remt Harald de auto af tot onder de 10 kilometer per uur en op de vlakkere stukken halen we 20 kilometer per uur. “Harder wil ik niet rijden, want dat houden de spanbanden het misschien niet”, zegt Harald. Enigszins gespannen rijden we verder in de richting van de poort. In het licht van de koplampen en de verstralers zien we wat uilen opvliegen en een haas blijft vijf minuten lang voor ons uit over de track rennen, voordat hij in de berm wegschiet. Om het half uur stoppen we de auto om te controleren of alles nog goed vast zit. De noodreparatie houdt vooralsnog goed alleen zal de spanband die om de vering heen zit wel doorscheuren. Hij zit namelijk over een scherpe rand heen. Loshalen durven we niet, we kunnen later eventueel onze vierde (en laatste) spanband nog extra aanbrengen.

Pas tegen tien uur bereiken we eindelijk de poort. Er is niemand te bekennen en het hek zit dicht. Een kilometer verderop, achter een bosje, zien we licht bij een paar huizen, maar niemand komt een kijkje nemen bij ons. “Waar zullen we de auto parkeren?”, vraagt Har. “Zet 'm maar vlak bij de wc’s daar”, zeg ik. “Daar vlak bij dat waterhole? Is dat wel verstandig?” vraagt Harald. “Ja, waarom niet. Dat is een piepklein waterhole, dus er zullen niet veel dieren op af komen. En zo wel, des te leuker”, zeg ik.
We parkeren de auto langszij zo'n vijf meter bij de waterhole vandaan. Dan openen we een blikje soep, warmen dat op en eten dat op met een broodje erbij. Dat smaakt! Daarna duiken we snel ons bed in, want we willen om 5 uur opstaan zodat we -zodra de poort open gaat om half 6- weg kunnen rijden.

Om 2 uur word ik wakker van het geklots van water. “Har, hoor je dat ook”, fluister ik terwijl ik Harald wakker por. Gespannen liggen we een minuut te luisteren. “Het waterhole. Er staat iets bij het waterhole”, realiseer ik me dan opeens. “Waar is de zaklamp?”, zeg ik terwijl ik me over Harald heen buig om door het horgaas uit onze daktent te kijken. Als Harald me de zaklamp aanreikt schijn ik daarmee naar buiten, tegen het horgaas aan. “Leeuwen!”, roep ik fluisterend uit. “Har, het is een groep leeuwen. Ze staan vlak naast onze auto te drinken!” Harald komt nu ook overeind en samen kijken we naar een paar volwassen leeuwinnen en een paar kleine leeuwen, die elkaar verdringen bij het waterhole. Het een grote groep en ze staan zo dicht op en achter elkaar dat we niet kunnen zien hoeveel leeuwen het precies zijn. De leeuwen lijken niets van onze zaklamp te merken, maar dan kijkt een leeuwin op en schijnen we haar recht in de ogen. We horen een zachte grom en van schrik knip de zaklamp snel uit. Stil luisteren Harald en ik wat er gebeurt, maar we horen alleen maar het geklots van water dat door de leeuwen met grote slokken naar binnen wordt gewerkt.  Als we twee minuutjes later de zaklamp weer aanknippen zijn de kleine leeuwtjes verdwenen en staat er nog maar een volwassen leeuwin bij de waterhole. Ze staat door haar voorpoten gezakt en haar gespierde schouderpartij komt boven hoor hoofd uit, terwijl ze met haar tong het water naar binnen slokt.  Het is een indrukwekkend gezicht. Een paar minuten later draait de leeuwin zich om en loopt achter onze auto weg de bosjes in, waar we haar niet meer kunnen zien. Ze laat een tevreden (?), zacht maar diep geluid horen, dat wordt beantwoord door eenzelfde, maar veel hoger klinkend geluid van de jonge leeuwtjes. We horen dit geluid van volwassen leeuwen en jongen nog een paar keer en dat klinkt steeds verder weg. De leeuwen trekken zich terug, dieper in het park en wij proberen daarna de slaap weer te vatten.

 

7 oktober 2011

De volgende dag staan we inderdaad om 5 uur op en rijden we om 20 over 5 de poort uit, die niet op slot blijkt te zijn. Twee uur en 40 kilometer onverharde track verder komen we gelukkig weer uit bij de verharde weg. we controleren de spanbanden weer en we plaatsen er eentje extra over de bijna doorgescheurde spanband. We snijden een stuk af van de spanband (hij is toch veel te lang) om de laatste spanband te beschermen tegen de scherpe rand van de bladveren. Eenmaal weer op het gladde asfalt kunnen we 70 a 80 kilometer per uur rijden. Om half 11 komen we aan bij de Toyota garage in Maun. We hopen dat ze ons vandaag nog kunnen helpen, want we hebben morgen en overmorgen een reservering op de Third Bridge Camp in Moremi, de enige vrije plekken die er de komende dagen nog waren, dus dat willen we niet missen. Bij de Toyota Garage blijken ze niet het benodigde versterkte verenpakket te hebben en ze sturen ons door naar een andere garage. Ook daar hebben ze niet het juiste pakket en weer worden we doorgestuurd. Bij garage nummer drie, Kirk Motors, lijken ze ons eerst ook niet te kunnen helpen. Maar na wat verder praten, onder andere over het monteren van extra luchtvering, blijkt dat ze het juiste verenpakket net onder een andere auto hebben gemonteerd van een klant die nog niet heeft betaald en de auto nog niet opgehaald heeft. Als wij meteen kunnen betalen, willen ze dat pakket wel onder die auto vandaan halen en vandaag nog onder onze auto zetten. Dan kunnen we morgen en overmorgen gewoon naar Moremi en kunnen we maandag terug komen voor de luchtvering. De prijs voor het geheel was in elk geval een stukje lager dan in Nederland, dus hebben we deal maar snel gesloten.
Aan het eind van de middag zit de vering er inderdaad onder. Top! Moremi here we come!